Als ik mijn kinderen vraag een klusje op te knappen is de kans dat het niet gebeurd groter dan dat het wel gebeurd. En ook van mezelf weet ik dat ik meer kan beloven dan waarmaken. Toch blijkt het steeds maar weer heel moeilijk niet iets te doen. Dat weten we maar al te goed, we ervaren het keer op keer. We drukken graag onze stempel. Publiekelijk dan wel in gedachten.

Dat niet iets doen ligt echter wel aan de basis van onze oefening. Het is de kern van meditatie. In de meditatie wordt gevraagd niet iets te doen. Niets toe te voegen aan het moment. Maar je te vormen naar wat er is. Te zijn met wat er is zonder dat wát er is te beroeren.

Dat betekent niet dat er perse rust moet zijn, of leegte, of stilte. Er kan juist heel veel gaande zijn. En dat maakt het alleen maar nog moeilijker om niet te acteren. Nog moeilijker en nog waardevoller.

Als we niet iets doen creëren we ruimte om te zien en ervaren wat er werkelijk is. We krijgen de realiteit onder ogen, los van al onze beelden en verhalen. De realiteit die anders steeds weer gemakkelijk wordt verhuld door weer nieuwe activiteiten. Door steeds maar weer wél doen.

Het is moeilijk om niet te doen. Het is moeilijk om de realiteit onder ogen te zien, zonder commentaar, zonder toevoeging, zonder deze bij te buigen. Het vraagt moed. Het vraagt moed om je niet te verschuilen.

In meditatie kunnen we ervaren dat er geen schuilplaats is. Maar we kunnen ook ervaren dat er geen schuilplaats nodig is. Want met het onder ogen zien van de realiteit zien we onszelf onder ogen. En die realiteit, die zijn we al. Dat is ons hele zijn, ons hele bestaan. En als we stoppen daarvoor weg te lopen, dan stoppen we met voor onszelf te verschuilen.

Dat is de schoonheid van de meditatie. We hoeven ons niet meer voor onszelf te verstoppen. We kunnen vrij bewegen….